NRC | geschreven door Ina Brouwer

“Tech-bedrijven – maak in de strijd tegen misstanden op sociale media beter gebruik van bestaande wetgeving”, schrijft Ina Brouwer.

Twee dagen na de bestorming van het Capitool haalde Twitter het account van president Trump uit de lucht. „Na bestudering van de tweets van @realDonaldTrump en de context ervan hebben we het account permanent geblokkeerd vanwege het risico op het aanzetten tot geweld”, schreef het bedrijf in een korte verklaring. Ook Facebook en Instagram schortten Trumps accounts op. Is dit niet in strijd met de vrijheid van meningsuiting? De Duitse bondskanselier Merkel kwam met die kritiek. Volgens haar mag de vrijheid van meningsuiting alleen door de wetgever worden ingeperkt en niet door private bedrijven. En daar heeft ze gelijk in.

Marleen Stikker en Sander van der Waal, directeur en onderzoeksdirecteur van Waag, betoogden in NRC iets soortgelijks, in hun artikel Politiek moet eindelijk Big Tech mores leren (16 januari 2021).

Hoe de politiek dat moet doen, wordt niet helemaal duidelijk, en dat valt grotendeels te verklaren doordat zij zich richten op de Amerikaanse situatie: “De basis van dat probleem stamt uit 1996, het jaar dat de Communication Decency Act in de Verenigde Staten in werking trad.” Daarin wordt de neutraliteit van internetproviders en platforms als Twitter en Facebook gewaarborgd. Een digitale provider is een doorgeefluik en hoeft zich niets aan te trekken van de boodschap die zij doorgeeft, hoe haatdragend, opruiend, aanzettend tot geweld of discriminerend die ook is. Zo kon Trump – en hij niet alleen – jarenlang zijn gang gaan, op basis van vrijheid van meningsuiting.

Bescherming van persoonsgegevens
In Europa is het anders. Juist op dit terrein bestaat er een waterscheiding met de Europese regelgeving. Europa heeft met de Algemene Verordening Gegevens(AVG) bescherming in 2018 Europese wetgeving neergelegd voor de bescherming van persoonsgegevens. Anders dan in de VS zijn Google, Facebook, Twitter, etc. geen doorgeefluik, maar zijn ze wel degelijk verantwoordelijk voor de manier waarop zij persoonsgegevens verwerken. Ze moeten kunnen aantonen dat ze de risico’s hebben afgewogen van materiële of immateriële schade voor personen, onder andere wanneer persoonsgegevens worden verwerkt die ras of etnische afkomst bevatten, gegevens over gezondheid of seksueel gedrag (overweging 75 bij artikel 24 AVG). Ze zijn dus in zekere zin ook de online poortwachters van democratische waarden bij de boodschappen over personen die zij doorgeven.

Als een digitaal platform niets onderneemt tegen gebruikers die stelselmatig onrechtmatig persoonsgegevens verwerken door op te roepen tot haat of geweld tegen personen, dan heeft de Autoriteit Persoonsgegevens conform de AVG de mogelijkheid op te treden, na of zelfs zonder een klacht. Trump maar ook Twitter zouden in Europa met een systeem van haatdragende boodschappen allang onder vuur hebben gelegen, is het niet van betrokkenen zelf dan wel van de (Europese) toezichthouder, de Franse ongetwijfeld voorop.

Iedere burger kan zelf een digitaal platform aanspreken om persoonsgegevens te verwijderen of te wijzigen en dat gebeurt met grote regelmaat. Zo heeft het in Ierland gevestigde Facebook al meerdere malen last gehad van een Oostenrijkse student die tot aan het Europees Hof eiste dat Facebook zijn persoonsgegevens niet zou doorgeven aan de VS omdat het platform niet kon garanderen dat zijn gegevens niet in handen van geheime diensten zouden vallen. Deze student, Max Schrems, tegenwoordig advocaat en privacy-activist, kreeg gelijk en de Europese Commissie moest het zogeheten Safe Harbour-beleid voor de VS (dat regelt dat persoonsgegevens ook daar ‘veilig’ zijn) drastisch wijzigen.

Privacy vs. meningsuiting
Zelf heb ik als advocaat privacyrecht een aantal keren verwijdering van persoonsgegevens gevorderd voor cliënten die in de zoekresultaten van Google als fraudeur werden afgeschilderd met een link naar Instagram, Youtube, Twitter van een of twee wraaklustigen. Zulke online beschuldigingen zijn toch wat anders dan de vroegere roddels in het café. Nu kom je er nooit meer van af.

Verwijdering gaat niet zomaar. Het Europees Hof zet in rechtszaken de standaard. Altijd is er een afweging tussen het recht op privacy en de vrijheid van meningsuiting. En terecht.

De rechter oordeelde in een van mijn zaken: „het privacybelang van een natuurlijk persoon prevaleert in de regel boven het belang bij informatie van de internetgebruikers en boven het economisch belang van de exploitant. Dit geldt vooral als de zoekresultaten feitelijk onjuist zijn, onvolledig, niet terzake dienend of bovenmatig”.

Natuurlijk is een account sluiten nog iets anders dan de verwijdering van zoekresultaten. Voor dat besluit moet je als digitaal platform wel een erg goede reden hebben en die kan alleen maar zitten in een ernstige schending van grondrechten en mensenrechten.

Verantwoordelijk voor naleving grondrechten
Is dat nieuw? Nee, natuurlijk niet. Een willekeurige bar of voetbalclub mag ook niet (passief blijven bij) discrimineren of aanzetten tot haat en geweld en neemt, vaak onder invloed van de publieke opinie, daarom zelf maatregelen. De kracht van grondrechten is nu juist dat organisaties die zelf als maatschappelijke norm naleven.

En wat als gebruikers er ten onrechte worden afgegooid? Dan kan via de rechter weer toegang worden gevraagd. Daar is geen overheid voor nodig, want wetgeving is er al.

Wat je wel nodig hebt zijn informatie over de (Europese) mogelijkheden, goed ingevoerde rechters en advocaten, een sterke toezichthouder en de kans om te procederen, zoals blijkt uit de Toeslagenaffaire. Wat mij betreft vraagt dat langzamerhand om een volksverzekering rechtsbijstand.

Kortom, Europa is niet de VS. Digitale platforms kunnen hier worden aangesproken op hun verantwoordelijkheid. De EU heeft goede instrumenten en die moeten vooral gebruikt worden. Geen nieuwe wetgeving dus, maar een krachtige uitleg. Van Europese regelgeving die nu al geldt, en van de belangrijke rol van de toezichthouder en de rechterlijke macht in het bewaken van de balans tussen vrijheid van meningsuiting en het respect voor ieder individu.